Publicaties

3. Bij H 5 Dichten bij portretten


- doorschrijven
- perspectief
- 11 tips voor schrijven gedicht


Vrij schrijven, doorschrijven bij een afbeelding
Deze opdracht kan een mooie opstap zijn naar dichten bij een foto van iemand die je kent. Dat is lastiger. Deze werkvorm met een ‘vreemd’ portret kan je daarop voorbereiden.

Verzamel een serietje portretten bijvoorbeeld op kunstkaarten, uit  de krant of uit tijdschriften. Kies uit die serie het portret waar je aandacht het meest naar uitgaat. Omdat het bijzonder is, omdat je iets herkent, omdat je het niet snapt. Kies altijd dat waar je hand en je ogen naar toe gaan, want zo’n intuïtieve keuze doe je niet voor niets: er is in jou iets dat getriggerd wordt door de afbeelding, al weet je nog niet wat dat is als je de keuze maakt.
Ga eerst vijf minuten vrij schrijven, doorschrijven naar aanleiding van de startwoorden ‘In dit gezicht….’ Haal je pen niet van het papier, schrijf door, desnoods onzin of ‘ik weet het niet meer’. Lees deze wilde versie hardop of zachtjes aan jezelf voor en kies er enkele woorden, zinnen of zinsneden uit die je treffen, ‘parels’.  Misschien komen die straks terug in het portret, of je bewaart ze voor een ander keer.

Kies een perspectief en associeer
Kijk goed naar het portret en stel jezelf de vraag vanuit welk perspectief je wilt schrijven: ‘Ik ben de vrouw met de gekke hoed’ is het ik-perspectief. Je kruipt in dat hoofd, komt dichtbij.
Je kunt ook kiezen voor meer afstand, schrijven in de derde persoon enkelvoud, in de zij-vorm: ‘De vrouw met de gekke hoed…’
Daar tussenin ligt het u- of jij-perspectief: je spreekt de persoon toe, zodat zowel jijzelf als de geportretteerde een rol krijgen: ‘Zeg, waarom draag je vandaag die hoed?’
Vanuit het gekozen perspectief ga je nu associatievragen beantwoorden:
Wat hoort, voelt, ziet, ruikt, proeft de ik/zij/jij?
Wat doe ik/ wat denk ik/waar ben ik?
Wat doet zij/wat denkt ze/waar is ze?
Wat doe jij/wat denk je/waar ben je?

Met behulp van deze ‘schatkist vol woorden’ ga je werken aan een eerste versie van je gedicht. Omcirkel woorden/zinnen die er zeker in moeten.
Begin eens met vier regels, en kijk of er meer bij moet. Stoei met de volgorde, schuif met woorden en regels. Als dat te rommelig  wordt, kun je ook regels opschrijven, uitknippen en er fysiek mee schuiven. Dat maakt het spel met de volgorde inzichtelijk en leuk.


11 tips om thuis gedichten te schrijven
Ik heb de tips voor kinderen die sinds 2016 op mijn website staan, omgewerkt voor volwassenen. Deze pagina is duizenden malen bezocht, dus ik dacht: die is kennelijk handig.

1. Een gedicht kan overal over gaan
Over kleine dingen als een fietsbel of een sok, over grote dingen als het klimaat of een asielzoeker, over je geliefde, je buurman of je moeder. In een gedicht mag je dromen, liegen, overdrijven, je herinneren, gek doen, stil zijn.
Kijk goed om je heen, luister, ruik, proef. Of gebruik afbeeldingen, muziek die je mooi vindt of een voorwerp.

2. Schrijf niet direct een perfect gedicht
Verzamel eerst ideetjes en woorden en zinnen. Knutsel daarna aan een eerste versie, laat hem liggen en versterk dan met verbetertips (zie hier onder). Pas daarna werk je aan lay out, spelling en andere ‘afmakers’.

3. Begin gewoon met het verzamelen van woorden en ideetjes
Verzamel eerst ideetjes. Je kunt dan een woordweb maken, of je stelt jezelf vragen.
Bijvoorbeeld: wat hoor je daar, wat zie je, ruik je, voel je (tastzin), proef je? Welke kleuren en vormen vallen op?
Andere vragen: Waar is het? Wanneer? Wat zeg je of denk je? Wat zou je willen doen of zeggen?
Pas als je woorden hebt verzameld,  ga je de eerste versie opschrijven in zinnen en coupletten.

4. In een gedicht speel je met woorden en klanken
Dichters zeggen de dingen net een beetje anders. Soms zeggen ze dingen twee of drie keer zodat je het echt goed hoort.
Dichters liegen, fantaseren spreken soms de waarheid, ze spreken in beelden en vergelijkingen.
Een zonsondergang lijkt bijvoorbeeld op een oranje pizza. En een burgemeester is een heer met een halsband.

5. Pas op voor de rijmziekte!
Veel mensen denken dat een gedicht moet rijmen, en dan schrijven ze regels op alleen vanwege het rijm. Bijvoorbeeld: Ik loop door het bos, en ik ben de klos. Of: De hemel is blauw, ik hou van jou. Flauwe bekende rijmpjes die al tienduizend keer zijn opgeschreven.
Daarom is het vaak beter om niet te rijmen aan het eind. Gebruik ook eens beginrijm (de dikke dame), herhaal een woord of een regel of gebruik binnenrijm: de zwarte kat. Want rijm is alle soorten van klankherhaling!

6. Schrijf korte regels
Tien woorden op één regel is vaak al heel veel. 
De meeste gedichten hebben korte regels.
Met korte regels hou je een gedicht open:
alle woorden hebben dan de ruimte,
ze drukken elkaar niet weg.

7. In een gedicht vertel  je veel met weinig woorden
Kijk wat je kunt schrappen. Een gedicht wordt er beter van als het kort en krachtig is. Woorden als ‘en’, ‘ook’, ‘want’, ‘en toen zaten ze te…’ kunnen er meestal uit. Vaak kunnen lidwoorden en werkwoorden er ook wel uit. Als je in een gedicht niet alles vertelt, kan de lezer erg nieuwsgierig worden.

8. Gebruik coupletten en sla af en toe eens een regel over, maak een witregel.
Een couplet – of een strofe - lijkt op een alinea: een stukje over dingen die bij elkaar horen. Bijvoorbeeld in je eerste couplet beschrijft hoe jouw moeder er uitziet, het tweede gaat over haar karakter.
Witregels maken een gedicht overzichtelijk, ze geven een gedicht ruimte.

9. Gebruik woorden die je voor je ziet: schrijf filmisch!
Sommige woorden zijn zo vaak gebruikt dat ze versleten zijn. ‘Leuk’ is bijvoorbeeld zo`n woord. Zet er een streep door en bedenk een beter woord.
Zie je een auto? Noem het merk! Zie je een bloem? Noem de naam!

10. Herhaal een belangrijk woord of een belangrijke regel
Daardoor gaat je gedicht klinken als een lied, als een muziekstukje van klanken. En de lezer ziet direct wat voor de dichter belangrijk was, bijvoorbeeld de naam van een persoon of een bloem.

11. Versterk je eerste versie

Tot nu toe was je in de schrijversfase (zie Piramide voorin).  Als je toe bent aan herschrijven, de lezersfase, lees je wat je geschreven hebt voor aan jezelf: hoe is het ritme, de melodie?
Het gaat er niet om of iets ‘goed’ is of ‘fout’, maar om de functie die een bepaalde keuze heeft op deze plaats : hoe werkt dit hier, wat is het effect op de  lezer? En is dat ook wat de dichter heeft bedoeld? Een vloeiend ritme bijvoorbeeld kan heel mooi zijn, maar misschien past het niet bij een zeer wrang onderwerp.
En waar je bij hardop voorlezen struikelt, moet er misschien nog iets gebeuren.
Sommige zaken zijn een kwestie van smaak, van eigen stijl. De één houdt van gedichten waarin ‘alles gezegd wordt’ (expliciet is en dus duidelijk), terwijl een ander voorkeur heeft voor een suggestieve stijl (waarin de dichter slechts tussen de regels door iets laat merken). Vraag je af, wat voor jou geldt. Met die bril op kun je kijken naar inhoudsaspecten en naar de vorm.

Typ voor je de bril opzet je kladversie uit, dat geeft al wat meer afstand. Streep in je eerste versie door wat je niet wil gebruiken (misschien wel een heel couplet), omdat je het niet mooi genoeg vindt. Ook woorden als ‘want, omdat, en, en ze zaten te’  kunnen vaak weg. Let verder op:

Inhoud
- W
at is het onderwerp, het thema?
- Welke sfeer, welke toon ademt het gedicht? Past dat hier?
- Zitten er meerdere lagen in (verticaliteit), of is het een concrete beschrijving ?
 - Is het gedicht ‘suggestief’: is er ‘ingedikt, wordt er tussen de regels gesproken?
- Wordt er ‘vertoond’, of wordt er ‘verteld over’?
- Wat is het effect van de titel? Is een titel nodig?

Vorm
- (Hoe) is met ritme gewerkt (ook met: variatie in woordlengtes)?
- Zijn er klankherhalingen (bv. eindrijm, binnenrijm, alliteratie), en wat is het effect?
- Is de versvorm vast of vrij, en hoe past dat hier?
- Hoe is het gebruik van wit, leestekens en regelafbrekingen?
- Zijn er woord- en zinsherhalingen, hoe werken die?
- Hoe lopen de klemtonen aan het eind van de regels (bv. hard of zacht)?                                 



 
Share our website

Quicklinks